Space Academy · Inhoud · Hoofdstuk 2 · §2.1 · English version

§2.1 Hoe een baan werkt

Een satelliet valt voortdurend naar de aarde — maar beweegt zo snel opzij dat hij haar steeds mist.

Open §2.1 in de academy

Simpel gezegd

Gooi een bal hard genoeg weg en hij valt pas verder weg op de grond. Gooi hem zó hard dat de aarde onder hem wegkromt terwijl hij valt, en hij komt nooit meer neer: dat is een baan. Hoe hoger, hoe langzamer een satelliet hoeft te gaan — en hoe langer een rondje duurt.

In de praktijk

Het ISS op ± 400 km raast in anderhalf uur rond de aarde en is voor een waarnemer op de grond maar een paar minuten zichtbaar. Een communicatiesatelliet op 35.786 km doet er precies een dag over en lijkt daardoor stil te hangen: een schotel kan er vast op gericht blijven.

Drie grootheden hangen vast aan elkaar: de hoogte, de snelheid en de omlooptijd. Kies je de hoogte, dan liggen de andere twee vast (voor een cirkelbaan). Lager betekent sneller en korter rond; hoger betekent trager en langer.

HoogteSnelheidOmlooptijdVoorbeeld
400 km± 7,7 km/s± 92 minISS
550 km± 7,6 km/s± 95 minStarlink
800 km± 7,5 km/s± 101 minAardobservatie (zonsynchroon)
20.200 km± 3,9 km/s± 12 uurGPS
35.786 km± 3,1 km/s23 uur 56 minGeostationair (GEO)

Naast de hoogte bepaalt de inclinatie — de hoek tussen baanvlak en evenaar — over welk deel van de aarde een satelliet komt. Een baan met inclinatie 53° komt nooit boven 53° noorder- of zuiderbreedte; een polaire baan (± 90°) komt overal. Een elliptische baan heeft een laagste punt (perigeum) en een hoogste punt (apogeum); bij het apogeum gaat de satelliet het langzaamst en blijft hij lang boven hetzelfde gebied.

Probeer het zelf: kies een baan of schuif de hoogte, en zie wat er gebeurt met snelheid, omlooptijd, het zichtbare deel van de aarde en de vertraging van een signaal.