Gooi een bal hard genoeg weg en hij valt pas verder weg op de grond. Gooi hem zó hard dat de aarde onder hem wegkromt terwijl hij valt, en hij komt nooit meer neer: dat is een baan. Hoe hoger, hoe langzamer een satelliet hoeft te gaan — en hoe langer een rondje duurt.
In de praktijkHet ISS op ± 400 km raast in anderhalf uur rond de aarde en is voor een waarnemer op de grond maar een paar minuten zichtbaar. Een communicatiesatelliet op 35.786 km doet er precies een dag over en lijkt daardoor stil te hangen: een schotel kan er vast op gericht blijven.
Drie grootheden hangen vast aan elkaar: de hoogte, de snelheid en de omlooptijd. Kies je de hoogte, dan liggen de andere twee vast (voor een cirkelbaan). Lager betekent sneller en korter rond; hoger betekent trager en langer.
| Hoogte | Snelheid | Omlooptijd | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| 400 km | ± 7,7 km/s | ± 92 min | ISS |
| 550 km | ± 7,6 km/s | ± 95 min | Starlink |
| 800 km | ± 7,5 km/s | ± 101 min | Aardobservatie (zonsynchroon) |
| 20.200 km | ± 3,9 km/s | ± 12 uur | GPS |
| 35.786 km | ± 3,1 km/s | 23 uur 56 min | Geostationair (GEO) |
Naast de hoogte bepaalt de inclinatie — de hoek tussen baanvlak en evenaar — over welk deel van de aarde een satelliet komt. Een baan met inclinatie 53° komt nooit boven 53° noorder- of zuiderbreedte; een polaire baan (± 90°) komt overal. Een elliptische baan heeft een laagste punt (perigeum) en een hoogste punt (apogeum); bij het apogeum gaat de satelliet het langzaamst en blijft hij lang boven hetzelfde gebied.
Probeer het zelf: kies een baan of schuif de hoogte, en zie wat er gebeurt met snelheid, omlooptijd, het zichtbare deel van de aarde en de vertraging van een signaal.