Space Academy · Inhoud · Hoofdstuk 2 · English version

Hoofdstuk 2: Banen: LEO, MEO, GEO, HEO en verder

Hoe een baan werkt, welke banen er zijn en waarvoor ze dienen, en de afweging tussen dekking, revisit, vertraging en scherpte die elke satelliet- of constellatieontwerper moet maken. Met een interactieve baanwidget.

Open hoofdstuk 2 in de academy

2.1Hoe een baan werkt

Een satelliet valt voortdurend naar de aarde — maar beweegt zo snel opzij dat hij haar steeds mist.

Lees §2.1 →

2.2LEO — lage baan

Van ± 160 tot 2.000 km: dichtbij, scherp en snel — maar steeds maar even boven je hoofd.

Lees §2.2 →

2.3MEO — middelhoge baan

Tussen 2.000 en 35.786 km: het domein van de navigatiesatellieten.

Lees §2.3 →

2.4GEO — geostationaire baan

Op 35.786 km boven de evenaar draait een satelliet even snel mee als de aarde: hij lijkt stil te hangen.

Lees §2.4 →

2.5HEO — Molniya en Tundra

Een langgerekte baan die lang boven het noordelijk halfrond blijft hangen — daar waar GEO tekortschiet.

Lees §2.5 →

2.6Zonsynchroon en polair

Elke dag op hetzelfde tijdstip boven hetzelfde punt — ideaal om beelden te vergelijken.

Lees §2.6 →

2.7Overige banen

Transferbanen, kerkhofbanen en de ruimte voorbij GEO.

Lees §2.7 →

2.8Afwegingen en constellaties

Geen baan is overal goed in: elke keuze ruilt dekking, revisit, vertraging en scherpte tegen elkaar.

Lees §2.8 →